|
Umberto
Ecco, een Italiaans schrijver, heeft een enorm dik boek geschreven
dat wereldberoemd geworden is met als titel: "De Slinger van Foucault."
Foucault
was een Frans wetenschapper uit de 19de eeuw die zich het hoofd
brak over de volgende vraag: "Hoe kunnen we bewijzen dat de Aarde
rond haar as draait ?" In de 19de eeuw wist bijna iedereen wel
dat de Aarde rond haar as draaide, maar niemand was er tot dan
toe in geslaagd dit ook empirisch aan te tonen. Foucault kwam
op het idee om in de koepel van het Pantheon in Parijs een reusachtige
slinger op te hangen. De vloer van het Pantheon was met zand bedekt.
Bij elke heen- en weer gaande beweging trok de grote slinger een
klein streepje door het zand. Op die manier kon Foucault heel
nauwkeurig de richting van de slingerbeweging volgen.
Het
bleek dat de slinger die Foucault opgesteld had, bij elke beweging
een klein beetje afweek. Na een uur was die afwijking al bijzonder
groot geworden. De afwijking van de slingerbeweging vormde het
bewijs dat de Aarde effectief om haar as draaide.
Afwijking
van de slingerbeweging
Een slinger heeft één heel bijzondere eigenschap:
hij zal nooit van richting veranderen. Natuurlijk kan je een slinger
wel doen afwijken van zijn oorspronkelijke richting. Maar dat
kost energie. Je moet tegen de slinger duwen, of blazen, of een
andere zijdelingse kracht op uitoefenen om hem van zijn richting
te doen afwijken. Uit zichzelf wijkt een slinger nooit af: hij
blijft netjes heen- en weer zwaaien.
Toch
week de slinger die Foucault in het Pantheon had opgehangen na
een tijdje af van zijn oorspronkelijke richting, hoewel niemand
in de buurt van de slinger was gekomen. Er was maar één conclusie
mogelijk: de slinger was niet afgeweken, maar wel de Aarde. Onze
planeet was een beetje rond haar as gedraaid, en daardoor leek
het precies alsof de slinger afgeweken was.
Met
deze proef toonde Foucault onomstotelijk aan dat de Aarde inderdaad
rond haar as draait.
De
aarde draait rond haar as
We kunnen de rotatie van de Aarde uit vele
dingen afleiden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is
de afwisseling tussen dag en nacht. Zonsopkomst of -ondergang
is immers gewoon het gevolg van het feit dat we op een roterende
aardbol zitten, die ons soms in de richting van de Zon draait
en enkele uren later terug van de Zon weg laat bewegen.
De
Aarde draait rond haar as in 23 uur, 56 minuten en 4 seconden.
Dit noemen we een sterrendag. Toch duurt het exact 24 uur vooraleer
we opnieuw op dezelfde positie staan ten opzichte van de Zon als
de dag voordien. De periode van 24 uur heet een zonnedag.
Kijk
naar de tekening. Op een bepaald moment is het middag: we staan
precies naar de Zon toegekeerd. We laten de tijd verder lopen.
23 uur en 56 minuten later is de Aarde precies één keer rond haar
as gedraaid. Maar ondertussen is ze ook een beetje verder opgeschoven
op haar baan, zodat we niet precies naar de Zon gericht staan.
De
Aarde moet nog 4 minuten verder draaien vooraleer we opnieuw precies
op de middag zijn. Een sterrendag wordt ook wel siderische periode
genoemd, de zonnedag heet de synodische periode. De rotatie van
de Aarde rond haar as is niet helemaal constant. Door de getijdenwerking
bijvoorbeeld, wordt ze heel langzaam afgeremd. Daarom is het nodig
om af en toe een schrikkelseconde in te voeren. Binnen vele miljoenen
jaren zal de Aarde zo traag rond haar as draaien, dat een dag
letterlijk maanden duurt.
Slinger
van Foucault
In principe kan elke slinger als "Slinger
van Foucault" beschouwd worden, omdat elke slinger dezelfde eigenschappen
heeft. Maar met de Slinger van Foucault worden specifiek die slingers
bedoeld waarmee effectief geprobeerd wordt om de rotatie van de
Aarde te bepalen. Je kan die proef zelf ook opstellen, al is het
niet eenvoudig om een slinger te vinden die lang genoeg blijft
bewegen. De meeste slingers ondervinden immers een wrijving aan
hun ophangpunt waardoor ze langzaam afremmen.
De
vertraging kan tegengewerkt worden door ofwel een bijzonder zwaar
gewicht met een grote traagheid te gebruiken, ofwel door de slinger
heel soepel op te hangen op bijvoorbeeld kogellagers, zodat er
zo weinig mogelijk wrijving optreedt. Je moet er ook op letten
dat de slinger in alle richtingen even vlot kan bewegen, want
als je hem zo star ophangt dat hij slechts in één richting kan
bewegen, dan is de proef waardeloos. Het gewricht waaraan de slinger
hangt draait immers wel mee met de Aarde, en dan dwing je de slinger
tot het volgen van de aardrotatie.
|