Navigeer dropdown

Hilde de houtworm is de gastvrouw voor dit experiment. Ze toont je telkens 4 vruchten of bladeren onderaan het scherm. Jij moet ze op de juiste boom slepen.

Als je klaar bent, klik je op Hilde en dan krijg je het resultaat te zien. Dit experiment bestaat uit 3 reeksen. Als je deze opgelost hebt, kan je hieronder meer uitleg over de bomen lezen.

Appelboom

undefined

Alle appels die we kopen stammen af van de Wilde Appel, die in heel Europa voorkomt. Hij kan tot 10 meter hoog worden. De stam van de appelboom heeft afbladderende grijsbruine schors met fijne groeven en kleine dunne schubben. De tamme appelsoorten zijn zo gekweekt dat hun stammen lager werden omdat de appels zo gemakkelijker te plukken zijn. Appelbomen met hoge stamen zien we daarom bijna niet meer.

De bladeren van de appelboom zijn eivormig met een spits topje en staan verspreid. De meeste tamme appels hebben behaarde blaadjes. Vanaf mei zien we witte tot rozige bloesem aan de takken verschijnen met soms wel tot 5 cm grote bloemetjes. Die worden later appels die op een steeltje aan de boom hangen. De meeste appels zijn groengeel tot rood. Appels worden rauw gegeten of gekookt, er wordt cider en calvados van gemaakt.

De appel werd vroeger beschouwd als een heilige boom. De oude goden aten appels om eeuwig jong te blijven. De appel stond ook voor kennis. Er stond een appelboom in het aards paradijs! En ook in de sprookjes spelen appels een belangrijke rol. Denken we maar aan Sneeuwitje die van een vergiftigde appel had gegeten.

Berk

undefined

De berk is een groene loofboom die in heel Europa voorkomt behalve in het Mediterrane gebied rond de Middellandse zee. Er zijn verschillende soorten. Berken zijn zeer hard, groeien nog op zeer arme bodems en tot ver boven de poolcirkel.

De berk heeft meestal een afschilferende witte bast en nog voor de winter draagt hij gele rupsvormige katjes. Hij houdt van licht en groeit dus graag op open plekken in het bos. Onder berken groeien veel andere planten en bomen. Regelmatig zie je aan de voet van een berk een aantal vliegenzwammen staan.

Afhankelijk van de soort worden berken 20 tot 30 meter hoog. Berken worden ongeveer 80 jaar oud.

Eik

undefined
De eik is historisch een van de meest verspreide bomen in West-Europa. Hij werd door onze voorouders vereerd als heilige boom. De eik voelt zich het best op voedselrijke leem- en kleibodems. Er zijn verschillende soorten eiken.

De bladeren van de eik zitten in groepjes bij de toppen van de twijgen en zijn heel herkenbaar: ze zijn onregelmatig van vorm en hebben 3 tot 7 diepe ronde inkepingen.

De vruchten van de eik zijn “masten” of “eikels”, 2 tot 3 cm lange nootjes die in een dopje op een lang steeltje staan. De eikels zijn voor mensen niet te eten maar ze zijn zeer voedzaam. In de Middeleeuwen werden de varkens in de herfst de bossen ingedreven en "vetgemast". Ook veel wilde dieren eten eikels: eekhoorns en vlaamse gaaien verzamelen eikels en verstoppen ze als wintervoorraad.

De bast van jonge eiken is glad en groen, die van iets oudere eiken wordt diep gegroefd en grijsgroen. Zeer oude eiken hebben dikwijls heel diepe groeven.

Eiken kunnen tot 40 meter hoog worden, met een stamomtrek van 12 tot 14 m breed. De gemiddelde eik wordt 300 tot 500 jaar oud, maar er zijn eiken waarvan wordt aangenomen dat ze 700 tot 1200 jaar oud zijn.

Esdoorn

undefined
De esdoorn komt voor op bijna het gehele noordelijke halfrond van het Noorden tot in de tropen. Er zijn verschillende soorten. De Gewone Esdoorn vind je vaak in gemengde loofbossen. Hij houdt van voedselrijke, kalkrijke leemhoudende grond. In de hersft herken je hem al van ver aan zijn zeer fraaie herfstkleuren.

De bladeren en de takken staan kruisgewijs tegenover elkaar. De bladeren van de meeste esdoorns hebben 3 tot 5 punten en zijn tussen de 5 en de 15 cm lang. Je herkent het blad van de esdoorn op de vlag van Canada.

De esdoorn heeft kleine bloempjes die in geelgroene trossen van 6 tot 12 cm naar beneden hangen. Door hun geur lokken ze veel vliegen. De vruchtjes van de esdoorn hangen in trossen bij elkaar. Ze bestaan uit 2 zaadjes met elk een grote vleugel van 1,5 tot 7 cm lang die tegenover elkaar op één steeltje zitten. Kinderen noemen ze dikwijls “helicoptertjes” omdat de vruchtjes bij het vallen een wentelende beweging maken zoals de schroef van een helikopter. In de winter is de esdoorn gemakkelijk herkenbaar omdat de trosjes steeltjes waar de vleugel-vruchtjes opzitten meestal blijven zitten.

Het hout van de esdoorn is heel hard en wordt speciaal uitgezocht voor de hals van strijkinstrumenten zoals violen en cello’s.

Esdoorns worden tot 30 m hoog. Als ze zeer oud worden kunnen ze een stamomtrek krijgen van bijna 10 m. Niemand weet hoe oud esdoorns precies kunnen worden, maar de oudste exemplaren zijn meer dan 800 jaar oud.

Hazelaar

undefined
De hazelaar komt in onze streken algemeen voor. Hazel komt van het oude Angelsaksische woord haes, dat “bevelen” betekent. De hazelaarsstaf was vroeger een teken van gezag. Er bestaan verschillende hazelaars zoals bijvoorbeeld de kronkelhazelaar.

De groeiwijze van de hazelaar is opvallend: een hazelaar heeft altijd meer dan één stam. Daardoor ziet hij er met zijn vele scheuten en uitlopers eigenlijk eerder uit als een grote struik of een bosje.

De hazelaar kan tot 8 m hoog worden en draagt pas na een jaar of 10 vruchten. Zijn bladeren zijn tussen 7 en 15 cm lang en breed ovaal. De onderkant van de bladeren is behaard. De hazelaar bloeit in de winter, als hij nog geen bladeren heeft. Van januari tot en met april zitten er tot 6 cm lange katjes aan de struik, die later uitgroeien tot lekkere hazelnootjes. De hazelnootjes zijn rijp in de herfst. Niet alleen wij maar ook vogels en eekhoorntjes zijn verzot op deze nootjes.

Kastanje

undefined
Er zijn verschillende soorten kastanje maar de tamme kastanje is het gekendst omwille van zijn eetbare vruchten. De paardekastanje of wilde kastanje is eigenlijk helemaal geen kastanje en zijn vruchten zijn ook niet eetbaar.

De kastanje komt oorspronkelijk niet uit onze streken maar is ingevoerd uit Zuid-Europa. Hij is waarschrijnlijk door de Romeinen meegebracht. Hij groeit het liefst op leem en zandgrond maar houdt niet van kalk, klei en natte gronden. Hij staat meestal alleen. Hij heeft een dikke korte stam en een brede bladerkroon. Een volwassen kastanjeboom kan tot 30 m hoog worden.

De bast van de kastanje is gebarsten in de lengte tussen die barsten is hij weer geribbeld. De hele dikke bomen herken je zo aan de diepe spleten in de bast die in een spiraal rond de stam draaien. De bladeren van de kastanje hebben een gezaagde rand en zijn langwerpig. Ze kunnen tot 30 cm lang worden. In de herfst worden ze geelbruin.

De kastanje bloeit in het begin van de zomer met opvallende hangende roomwitte aarvormige bloemtrossen fijne witte bloempjes. Hun geur is zéér specifiek en trekt veel bijen aan. Het is dan ook een uitzonderlijk goede honingleverancier.

Aan de kastanje komen ronde groene bolsters met een enorme hoeveelheid groene stekels die wel 5 cm lang kunnen worden. Die stekels beschermen de kastanje tegen rovers zoals vogels en eekhoorns. Aan de bolsters hangen meestal nog de verdroogde resten van de aarvormige bloemtrossen. Een open bolster bestaat uit vier slippen, waarin tussen 1 en 4 kastanjenoten zitten. In oktober vallen ze uit de boom. Na een tijdje gaan de bolsters vanzelf open. Je kunt een tamme kastanje dus beter een tijdje laten liggen dan ze moeizaam proberen open te maken. De kastanjes worden door mens en dier graag gegeten.  De vrucht is zeer rijk aan eiwitten (proteïnen) en vet. Je kan kastanjes roosteren, koken, er puree van maken of poffen.

Kerselaar

undefined
Er zijn meer dan 400 soorten kerselaars. Er bestaan zowel bomen met eetbare vruchten als bomen met siervruchten. De wilde kers, die vooral in de bossen terug te vinden is, is in onze streken wijd verspreid. De vrucht is wat bitter en zeer geliefd door vogels. De Japanse sierkers is in onze steden een veel voorkomende sierboom. Nergens wordt de kerselaar zo aanbeden als in Japan, waar al meer dan 1000 jaar elke bloei van de kerselaars uitbundig wordt gevierd. Wij kennen echter beter de eetbare zoete of zure kersen of krieken die we eten op een zomerdag of die gebruikt worden om bier van te brouwen.

De kerselaar is vrij makkelijk herkennen aan de stam. De stam heeft vaak bruine glimmende stukken bast met een soort horizontale "ribben" en stroken. De kers kan tot 20 m hoog worden.

De takken van de kers zijn in kransen ingeplant en vormen een open en regelmatige bladerkroon. De bladeren zijn langwerpig met een grof gezaagde bladrand. Ze zijn 7 tot 15 cm lang en voelen ruw aan. De steeltjes van de bladeren zijn 3 tot 7 cm lang en een beetje rood.

De bloesem van de kers wordt beschouwd als de mooiste van onze fruitbomen. De kleine witte bloemetjes bloeien in schermen op korte steeltjes.  De kerselaar is echter het meest bekend om zijn vruchten. De zoete steenvruchten zijn rood tot zwart en hangen aan een lange roodbruine steel. De kersenpitten, afgekookt, gedroogd en in een laken gestopt, worden nog altijd gebruikt als bedverwarmer.

Knotwilg

undefined
De knotwilg is een typische boom uit onze streken. Je vindt hem vaak terug in landbouw-, rivier- en polderlandschappen, langs weiden, zowel geknot (met gesnoeide takken) als niet geknot. De knotwilg houdt van vochtige grond en groeit behoorlijk snel. De knotwilg wordt meestal afgeknot tot 2 tot 3 m hoogte. Knot je hem niet dan kan hij tot 28 m hoog worden. Echt oude wilgen vind je bijna niet. Wilgen hebben immers zacht, snel rottend hout en begeven het daardoor meestal na enkele tientallen jaren tot maximum een eeuw.

De twijgen en takken die worden afgesnoeid werden vroeger gebruikt voor het vlechten van manden en het versterken van de wanden van lemen vakwerkhuizen.

De bladeren van de wilg zijn smal en langwerpig, tussen 6 en 10 cm lang. Ze zijn van boven dofgroen en langs de onderkant grijsblauw en behaard. In mei bloeit de wilg met zilvergrijze katjes. De knotwilg verspreidt een zoete honinggeur en lokt daardoor heel geliefd bij bijen, zweefvliegen en vlinders. In de zomermaanden zorgen ze voor veel rondzwevende zaadpluizen.
De schors van oudere wilgen is in de lengte diep ingesneden. Hun stammen worden snel hol en herbergen verschillende soorten vogels zoals steenuilen, maar muizen en vleermuizen. Door op een stukje wilgenbast te kauwen, kun je pijn verlichten. Daarin zit namelijk salicylzuur, het hoofdbestanddeel van aspirine.

Linde

undefined
Er bestaan verschillende soorten lindebomen. In onze streken vind je vooral Zomerlindes en Winterlindes.

De linde herken je aan de grote hartvormige lichtgroene bladeren met gezaagde bladranden. Afhankelijk van de soort heb je aan de onderzijde van het blad roodachtige of groengrijze beharing.

De linde bloeit in de late lente tot begin van de zomer met geelachtige bloemetjes. Van de bloesem druipt vaak een kleverige suikerhoudende vloeistof, honingdauw, die door de lindebladluis wordt afgescheiden. De bloesem geurt heel zoet en trekt ontelbare bijen en hommels aan. Ook wij genieten van de bloemetjes want de bloesems van de linde worden al lange tijd gebruikt voor het bereiden van thee.

In de herfst wordt elk bloemetje een klein behaard bolletje waarin de zaadjes zitten. Dat bolletje zit op een steeltje waaraan een langwerpig blaadje zit dat ervoor zorgt dat de bolletjes gaan tollen als ze naar beneden vallen, zodat ze door de wind verder verspreid kunnen worden.

De oude Germanen beschouwden de linde als een heilige boom, gewijd aan de godin van de liefde en de vruchtbaarheid Freya en later aan Maria. Ze plantten daarom dikwijls een linde op het midden van het dorpsplein om het dorp te beschermen tegen ongeluk. Onder de linde werd in de Middeleeuwen recht gesproken en getrouwd. Die stokoude bomen van honderden jaren oud staan er nu vaak nog steeds.

De linde kan afhankelijk van de soort tot wel duizend jaar worden, met een stamomtrek tot 15 m en een hoogte tot 40 m! Omdat linden na ongeveer tweehonderd jaar bijna altijd hol worden, is hun precieze leeftijd moeilijk na te gaan. Daarvoor moet je immers ringen tellen binnen in de stam. Bovendien is een typisch kenmerk van de linde dat hij aan zijn voet een bosje jonge scheuten heeft. Die nemen het over als de stam van de linde door een storm of door ouderdom omver valt. De boom verjongt zich dan zodanig dat van de oorspronkelijke boom weinig meer over is. Dat maakt het ook moeilijker om zijn precieze leeftijd te bepalen.

Olijfboom

undefined
We hebben het hier over de gecultiveerde olijfboom, die overal rond de Middellandse Zeekust groeit. Al meer dan 4.000 jaar is de olijfboom niet alleen belangrijk in de keuken maar wordt hij ook vereerd als een heilige boom. De oude Grieken gaven hun olympische kampioenen een lauwerkrans van olijfbladeren. In het Oude Testament wordt verteld hoe hogepriesters en koningen gezalfd werden met olijfolie. De takken en vruchten van de olijfboom en ook zijn olie gelden als symbolen van het leven, de vruchtbaarheid en het licht.

Olijfbomen zijn bijzonder levenskrachtig en horen tot de oudste bomen van de wereld. Ze kunnen zelfs duizenden jaren oud worden. Ze worden bijna nooit hoger dan 10 m. De olijfboom groeit traag en heeft daardoor een korte stam met sterk vertakte en laag bij de grond groeiende forse takken. De schors van de olijfboom is lichtgrijs en gegroefd. Oude bomen hebben dikwijls een verwrongen en gebarsten stam, knoestig en met een typische bizarre vorm.

De bladeren staan in paartjes tegenover elkaar en zijn smal en langwerpig met gladde bladranden. Ze zijn leerachtig en blijven altijd groen. De bovenkant van de bladeren is donkergroen of grijsgroen, hun onderkant is zilvergrijs behaard. Ze hebben een zilverachtige glans omdat ze het licht reflecteren. Zo zorgen ze mee voor het spreekwoordelijke “glinsteren van de hitte”. Olijfbomen zijn immers subtropische bomen: ze houden van warme milde winters en hete droge zomers. Olijfbomen zijn ongevoelig voor droogte en hebben veel zon nodig. Omdat ze zo weinig water uit de bodem opnemen is hun hout heel hard en dus zeer geschikt voor alle vormen van houtsnijwerk.

Tegen het einde van de lente zien we kleine witgele bloemetjes verschijnen met een zachte geur die insecten  aantrekt. Die worden later olijven, ronde groene steenvruchten op een steeltje. Dat gebeurt pas als de boom 5 tot 7 jaar oud is. Afhankelijk van de soort worden ze als ze rijp zijn groen, paarsachtig of zwart. De olijven worden geoogst van begin november tot eind maart. Uit de olijven wordt olijfolie gewonnen. De olijven voor olijfolie worden geoogst als ze nog niet rijp zijn. Ze worden met een pers uitgeperst. De oude Romeinen bezaten al technologisch hoogstaande oliemolens. Die eerste zogenaamde “koude persing” levert de beste olie (extra vergine). Olijfolie wordt gebruikt voor ontelbare toepassingen, gaande van lampolie, zonnebrandolie tot zeep. Maar we kennen hem natuurlijk beter van uit de keuken. De voordelen van olijfolie voor de gezondheid zijn immers wetenschappelijk bewezen: het is licht verteerbaar, werkt positief op maag en darmen en beschermt tegen aandoeningen aan de bloedsomloop.

Populier

undefined
Er zijn verschillende soorten populieren maar de gekendste is de lange hoge populier die we dikwijls langsheen kanalen zien staan. De populier is een zomergroene loofboom, waarvan de bladeren jaarlijks afvallen. Hij groeit snel en kan ook heel hoog (tot 40 m) worden. De maximale leeftijd voor een populier is ± 200 jaar. Voor een goede groei heeft deze boom veel licht nodig, hij verdraagt slecht schaduw.

De bladeren lijken op een schoppen-aas en staan verspreid en niet tegen over elkaar. In de herfst kleuren ze goudgeel tot geel. In de wind maken ze lawaai. De naam populier is trouwens afgeleid van het Griekse woord “paipolos” dat “trillen” betekent. De boom heet zo omwille van zijn blaadjes die bij het geringste zuchtje wind bewegen.

Populieren bloeien in maart als er nog geen bladeren aan de bomen zitten. Ze hebben lange rode hangende katjes. Eind maart is de grond onder populieren bedekt door afgevallen katjes. Tegen het einde van de zomer verspreiden ze hun zaadjes. Rond die zaadjes zit een donzig pluis dat door de wind wordt meegevoerd. Soms hangen er zoveel pluisjes rond een boom dat het wel lijkt alsof het sneeuwt! Mensen kunnen hier allergisch voor zijn.

Populieren vormen een belangrijke voedselbron voor de rupsen van veel vlinders.

Vijgenboom

undefined
Er zijn bijna duizend soorten vijgenbomen. De bekendste is de gewone vijgenboom met de eetbare vijgen. Hij komt oorspronkelijk uit Azië maar is algemeen verspreid in het Middellandse Zeegebied. De vijgenboom kan tot 10 m hoog worden. In onze streken groeit hij door het klimaat niet uit tot een boom maar tot een brede struik. Hij krijgt bij ons ook pas vijgen als hij op een zeer zonnige plek zonder wind groeit.

De vijgenboom heeft dikke leerachtig bladeren die tot 30 cm lang kunnen worden en tegenover elkaar staan. De grote bladeren staan op een steeltje tot 10 cm lang en hebben 3 tot 5 diep uitgesneden lobben. De middelste lob is altijd het grootst. De bovenkant van de bladeren is donkergroen en ruw behaard. De onderkant is behaard en heeft witte nerven.

De kleine bloemetjes zijn eigenlijk niet te zien. Vijgen zijn immers geen echte vruchten maar verdikte vlezige bloembodems. De bloemetjes zitten opeengepakt in die bijna gesloten bloembodem en worden bevrucht door insecten die door een klein gaatje in de vijg naar binnen vliegen. Op de plaats van die bloemetjes komen later vruchtjes. De bloembodem en de vruchtjes samen vormen de lekkere vijgen. Die zijn donkergroen en peervormig. Als ze rijp zijn, kunnen ze van donker purperrood tot zwart, groen en geelachtig tot bijna wit zijn, met een lengte van 4 tot 8 cm. Ze worden vers of gedroogd gegeten.

Ben je bezoeker, leerkracht of geïnteresseerd in evenementen? Switch hier naar een aanbod op maat.