Navigeer dropdown

Duikboten hebben de speciale eigenschap te kunnen drijven, zweven en zinken. Ze zijn natuurlijk speciaal ontwikkeld om in die drie toestanden te kunnen bewegen. In dit experiment zoek je zelf uit hoe dat kan.

      

Wat heb je nodig?

  • Een maatbeker met water
  • Een gekookt eitje
  • Zout
  • Enkele andere voorwerpen: moer, kurk, ...
img

Aan de slag!

Stap 1: Vul de maatbeker met 75cl water.

Stap 2: Breng het eitje in de beker. Wat gebeurt er?

Stap 3: Voeg nu keukenzout aan het water toe totdat er beweging komt in het eitje. Roer eventueel om het zout beter op te lossen.

Stap 4: Herhaal dit experiment voor de metalen moer, de kurk en eventueel andere voorwerpen. Lukt het altijd? Hoe verklaar je het verschil?

img

Wat gebeurt er?

Door steeds meer zout toe te voegen aan het water gaat het eitje uiteindelijk drijven.

img

Hoe zit dat?

Een voorwerp drijft in een vloeistof als de dichtheid van de vloeistof groter is dan de dichtheid van het voorwerp. Als de dichtheid van het voorwerp groter is dan die van de vloeistof, dan zal het voorwerp zinken. Als de dichtheden precies gelijk zijn, zal het voorwerp zweven. Deze laatste toestand is moeilijk te verwezenlijken.

Duikboten kunnen drijven en zinken omdat ze hun gemiddelde dichtheid voortdurend kunnen veranderen. Door water in of uit de ballasttanks te pompen, vergroot of verkleint de gemiddelde dichtheid van de duikboot, waardoor hij de ene keer zinkt en daarna weer kan opstijgen en drijven.

Ben je leerkracht? Klik dan op onderstaande knoppen om te ontdekken hoe dit proefje in jouw lessen past.

Leerlingen uit het kleuteronderwijs kunnen dit proefje zelf doen.

Dit proefje kan gebruikt worden om volgende vakgebonden eindtermen binnen het vak ‘Wetenschappen en techniek’ te helpen realiseren:

  • 1.2 De kleuters tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur;  
  • 1.4 de kleuters kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria. 

Leerlingen uit het lager onderwijs kunnen dit proefje zelf doen.

Dit proefje kan gebruikt worden om volgende vakgebonden eindtermen binnen het vak ‘Wetenschappen en techniek’ te helpen realiseren:

  • 1.2 De leerlingen kunnen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese; 
  • 1.3 de leerlingen kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden;
  • 1.14 de leerlingen kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen. 

Leerlingen uit de eerste graad van het secundair onderwijs kunnen dit proefje zelf doen.

In het educatief pakket 'Waterwijsheid' ontdek je hoe je dit proefje kan integreren in je lessen.

Dit proefje kan gebruikt worden om volgende vakgebonden eindtermen binnen het vak ‘Natuurwetenschappen' te helpen realiseren:

  • 21 De leerlingen kunnen onder begeleiding, bij een onderzoeksvraag gegevens verzamelen en volgens een voorgeschreven werkwijze een experiment, een meting of een terreinwaarneming uitvoeren;
  • 24 De leerlingen kunnen onder begeleiding resultaten uit een experiment, een meting of een terreinstudie weergeven. Dit kan gebeuren in woorden, in tabel of grafiek, door aan te duiden op een figuur of door te schetsen. De leerlingen gebruiken daarbij de correcte namen en symbolen;
  • 26 De leerlingen kunnen gehanteerde wetenschappelijke concepten verbinden met dagelijkse waarnemingen, concrete toepassingen of maatschappelijke evoluties.

Ben je bezoeker, leerkracht of geïnteresseerd in evenementen? Switch hier naar een aanbod op maat.