Navigeer Sluit

Technopolis is gesloten
slide

Rood of paars?

Steek een rode roos in een paars jasje

Soms kunnen bloemen zich gedragen als een toverbal: afhankelijk van de plaats waar ze groeien, hebben ze een verschillende kleur.

      

Opgelet

Gebruik handschoenen, een veiligheidsbril en een labojas.

Wat heb je nodig?

  • 2 rode rozen
  • beker
  • ammoniak 30%
  • absorberend papier (bv. keukenrol)
img

Aan de slag!

Stap 1: Doe een prop absorberend papier in de beker en giet er wat ammoniak op, zodat het papier vochtig wordt.

Stap 2: Knip één roos van de stengel. Laat nog een klein stukje van de stengel aan de bloem hangen.

Stap 3: Leg de afgeknipte roos in de beker met ammoniak, met de bloemblaadjes naar beneden.

img

Wat gebeurt er?

De bloem verkleurt.

img
img

Hoe zit dat?

De kleurstof die de roos haar rode kleur geeft, verandert van kleur wanneer ze in een zure of basische omgeving terecht komt. Zure stoffen smaken meestal zuur, zoals citroensap, pompelmoessap, azijn. Basische stoffen smaken eerder zeepachtig. Bekende basische stoffen zijn toiletzeep, afwasmiddel, maagzout en ammoniak. De ammoniak in de beker is een base en doet de roos paars verkleuren.

De mogelijkheid om van kleur te veranderen, zorgt soms voor grappige taferelen.Mensen die een blauwe hortensiastruik aangekocht hebben, schrikken zich het volgende seizoen een hoedje wanneer de nieuw uitgekomen hortensia's roze zijn. Dat heeft alles te maken met de zuurtegraad. In kalkrijke bodems krijgt de hortensia roze bloemen, in eerder zure bodems kleuren de bloemen mooi blauw. 

Ben je leerkracht? Klik dan op onderstaande knoppen om te ontdekken hoe dit proefje in jouw lessen past.

Deze proef kan gebruikt worden als demo in de eerste graad van het secundair onderwijs.

In het educatief pakket 'Plantastisch' ontdek je hoe je dit proefje kan integreren in je lessen.

Dit proefje kan gebruikt worden om volgende vakgebonden eindtermen binnen het vak ‘natuurwetenschappen’ te helpen realiseren:

  • 8  De leerlingen kunnen in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd;
  • 13  De leerlingen kunnen uit waarnemingen afleiden dat in planten stoffen gevormd worden onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht;
  • 21  De leerlingen kunnen onder begeleiding, bij een onderzoeksvraag gegevens verzamelen en volgens een voorgeschreven werkwijze een experiment, een meting of een terreinwaarneming uitvoeren;
  • 24  De leerlingen kunnen onder begeleiding resultaten uit een experiment, een meting of een terreinstudie weergeven. Dit kan gebeuren in woorden, in tabel of grafiek, door aan te duiden op een figuur of door te schetsen. De leerlingen gebruiken daarbij de correcte namen en symbolen;
  • 26  De leerlingen kunnen wetenschappelijke concepten verbinden met dagelijkse waarnemingen, concrete toepassingen of maatschappelijke evoluties.

Ben je bezoeker, leerkracht of geïnteresseerd in evenementen? Switch hier naar een aanbod op maat.