Spannende ballonnen

Waarom gebruikt de brandweer water om te blussen?
Water en vuur. We kennen ze als twee natuurelementen die het tegenovergestelde lijken van elkaar. Zo gebruikt de brandweer water om hete vlammen te doven. Maar hoe komt dat nu?
Spannende ballonnen kaars

Wat heb je nodig?

  • Twee ballonnen
  • Water uit de kraan
  • 1 kaars
  • Aansteker of lucifers

Aan de slag!

Stap 1: Blaas 1 ballon op en knoop deze toe.

Stap 2: Vul een andere ballon met water tot die ongeveer zo groot is als een appel. Blaas de gevulde ballon nog wat verder op tot hij ongeveer even groot is als de andere ballon. Knoop de ballon toe.

Stap 3: Steek de kaars aan.

Stap 4: Hou de ballon met enkel lucht een tweetal cm boven de vlam.

Stap 5: Hou de ballon met water een tweetal cm boven de vlam.

Wat gebeurt er?

De ballon met enkel lucht ontploft en de ballon met water ontploft niet.

Hoe zit dat?

Wanneer de vlam in de buurt van het water komt, neemt het water de warmte van de vlam op. Water kan immers heel veel warmte opnemen zonder dat de temperatuur ervan veel stijgt. 

Verder geleidt water ook heel goed de warmte. Dat wil zeggen dat in de ballon met water de warmte van de vlam verdeeld wordt over al het water dat erin zit. Zo wordt de temperatuur in de ballon niet hoog genoeg om het rubber kapot te maken.

Lucht daarentegen kan niet zoveel warmte opslaan en geleidt ook de warmte minder goed. In de ballon met lucht stapelt de warmte zich dus snel op aan het oppervlak van het rubber en zo gaat de ballon kapot.

Ook oceanen nemen veel warmte van de zon op, die ze dan via stromingen in de zee gaan herverdelen. De Golfstroom is zo’n belangrijke zeestroming: ze zorgt ervoor dat we in België heel zachte winters hebben. Ze brengt warm water van de evenaar naar onze kust. De lucht pikt die zeewarmte op en de wind voert ze naar land.

Leuk proefje?

Stop dan zeker niet met experimenteren. Wat als je warm water gebruikt? Of sinaasappelsap? Met ons doe-blad kan je thuis of in de klas naar hartenlust meer ontdekken over dit bijzondere proefje.

Welke eindtermen vink je hiermee af?

Wetenschap en techniek:

1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren

Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:

A‑stroom 6.49 / B‑stroom 6.32: De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen STEM-disciplines onderling en met de maatschappij.

Leercompetenties:

A‑stroom / B‑stroom 13.12: De leerlingen voeren een oplossingsstrategie systematisch uit i.f.v. een onderzoek of een probleem.

A‑stroom / B‑stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.

A‑stroom / B‑stroom BG13.1: De leerling hanteert in functionele contexten een aangereikte zoekstrategie bij het selecteren van digitale bronnen en informatie om een aangereikte informatievraag te beantwoorden.