Zeepkubus

Zeepbellen zijn altijd rond, toch? Of niet?
In dit experiment maken we gebruik van de krachten van zeepsop om eens een zeepbel in een andere vorm te maken.
20200824 Technopolis 16

Wat heb je nodig? 

Voor het zeepsop:

  • 1 liter water 
  • 125 ml Dreft 
  • 30 ml honing of glycerine 
  • Een kom met hoge wanden 
Voor de kubus:
  • 4 pijpenragers
  • Eventueel plastic rietjes 
  • Gewone bellenblaas-blazer

Aan de slag!

Maak het zeepsop. 


Maak de kubus.

Stap 1:
Knip 3 pijpenragers in 2. Nu heb je 6 kleine pijpenragers en nog 1 grote.

Stap 2:
Plooi de 6 kleine pijpenragers in 2. Maak er een rechte hoek van.

Stap 3:
Maak de 6 stukken vast aan elkaar op zo’n manier dat je een kubus krijgt. Wil je een stevigere kubus? Doe dan aan elke zijde van de kubus een stuk plastic rietje.

Stap 4:
Maak de vierde pijpenrager vast aan een hoek van de kubus.

Stap 5:
Houdt de kubus vast aan die laatste pijpenrager en dompel de kubus een paar seconden onder in het zeepsop.

Stap 6:
Haal de kubus eruit en schud zachtjes.

Stap 7:
Laat met de gewone bellenblaas-blazer een gewone bel in de kubus vallen.

20200824 Technopolis 15

Wat gebeurt er?

Als alles goed gaat zie je in het midden van je knutselwerk een zeepkubus.

Hoe zit dat?

Een zeepbel bestaat uit een laagje water tussen twee laagjes zeep. Dat noemen we een vliesje. Wanneer je blaast in een gewone bellenblaas, blaas je lucht in het vliesje. Het vliesje sluit zich rond de lucht en je krijgt een bel. In dit experiment maak je met water en zeep een wel heel speciale zeepbel. 

Wanneer je de kubus in het zeepsop steekt, zie je dat de verschillende vliesjes in het midden van de pijpenrager-kubus aan elkaar blijven plakken. Dat komt omdat de zeepdeeltjes in de vliesjes elkaar aantrekken. 

Als je een zeepbel laat vallen in de pijpenrager-kubus, blijft die ook plakken. Doordat elk vliesje zich steeds zo klein mogelijk probeert te maken, krijgt de bel de vorm van een kubus.

Wetenschap en techniek:
2.13 De leerlingen kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren.
1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
De leerlingen kunnen op basis van volgende eigenschappen de volgende meetkundige objecten herkennen en benoemen: a) in het vlak: punten, lijnen, hoeken en vlakke figuren (driehoeken, vierhoeken, cirkels); b) in de ruimte: veelvlakken (kubus, balk, piramide) en bol en cilinder.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
BG 6.6: De leerling gebruikt wiskundige verhoudingen in functionele contexten.
A-stroom 6.35: De leerlingen onderzoeken waarneembare eigenschappen van courante materialen en grondstoffen i.f.v. een technisch proces.
A-stroom 6.41: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp.
A-stroom 6.40: De leerlingen ontwerpen een technisch systeem in functie van de bepaalde vereisten.
BG 6.3: De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in functionele contexten.
B-stroom 6.25: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp en een aangereikt stappenplan.
Leercompetenties:
A-stroom / B-stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.