De langste douche

Een experiment rond water en druk
Zelf een douche maken? Dat kan! En de lengte van de darm bepaalt hoe lang je ervan kan genieten.
De langste douche

Wat heb je nodig?

  • 2 colaflessen van 1,5 liter
  • Een scherp mes
  • Een boor
  • Een lijmpistool
  • Een korte darm
  • Een lange darm (10 meter)
  • 2 krokodillenklemmen
  • Eventueel: opblaasbaar zwembadje

Op het doe-blad onderaan deze pagina vind je een extra oefening. De materialen daarvoor staan in het doe-blad zelf vermeld.

Aan de slag!

Stap 1: Snijd de bodem van de colaflessen.

Stap 2: Boor een gat in de doppen van de colaflessen.

Stap 3: Doe telkens een darm door de dop van de colaflessen.

Stap 4: Ga met het lijmpistool rondom de darm tegen de dop zodat die goed vast zit en er geen water langs ontsnapt.

Stap 5: Klem met de krokodillenklemmen de darmen zo vast dat er geen water door kan.

Stap 6: Vul de flessen met water.

Stap 7: Ga op een eerste verdieping staan en ontrol de lange darm tot hij beneden is. Let op: de darm mag niet op de grond liggen.

Stap 8: Houd je flessen uit het raam op de eerste verdieping. Of, wanneer je dit binnen doet: zet een opblaasbaar zwembadje klaar op de plaats waar het water uit de darmen gaat komen.

Stap 9: Maak tegelijkertijd de twee krokodillenklemmen los en kijk goed welke douche het langst blijft lopen.

Als alternatief voor de krokodillenklemmen, kan je de darmen ook op andere manieren afsluiten. Zo kan je bijvoorbeeld een knik in de darm maken of er een kraantje tussen plaatsen.

Wat gebeurt er?

De douche met de kortste darm blijft het langste lopen.

Hoe zit dat?

In elke vloeistof ontstaat druk. Hoe dieper je gaat, hoe meer druk je ervaart. Denk maar aan de druk op je oren die je voelt als je naar de bodem van het zwembad duikt. Hoe hoger de waterkolom boven je, hoe groter de druk.

Bij de korte slang is er minder afstand tussen het wateroppervlak en het leeglooppunt. De hoogte van de waterkolom is kleiner en dus drukt het water onderaan minder hard. En hoe minder hard het water drukt, hoe trager het eruit loopt.

Leuk proefje?

Stop dan zeker niet met experimenteren. Wat als je twee flessen met een andere vorm gebruikt? Met ons doe-blad kan je thuis of in de klas naar hartenlust meer ontdekken over dit bijzondere proefje.

Welke eindtermen vink je hiermee af?

Wetenschap en techniek:

1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren.

1.2 De leerlingen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.

2.13 De leerlingen kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren.

2.6 De leerlingen kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen.

2.2 De leerlingen kunnen specifieke functies van onderdelen bij eenvoudige technische systemen onderzoeken door middel van hanteren, monteren of demonteren.

Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:

A‑stroom 6.24: De leerlingen leiden de uitwerking van krachten af uit authentieke contexten.

B‑stroom 6.14: De leerlingen geven voorbeelden van de uitwerking van krachten in authentieke contexten.

A‑stroom 6.41: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp.

B‑stroom 6.25: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp en een aangereikt stappenplan.

Leercompetenties:

A‑stroom / B‑stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.