Gekke pingpongbal

Water of lucht: wie wint?
Wie dacht dat je alleen maar pingpong kan spelen met een pingpongballetje heeft het mis! In dit experiment gebruiken we een pingpongbal en een flesje water om iets te ontdekken over de lucht. 
20200824 Technopolis 45

Wat heb je nodig?

  • glazen fles
  • water
  • pingpongbal (zonder blutsen, mooi bolvormig) 
  • bak of schaal om eventueel water dat je morst op te vangen

Aan de slag!

Stap 1: Zet de fles in de schaal en vul de fles tot aan de rand met water. De fles moet echt helemaal vol zijn: het water moet quasi overlopen.

Stap 2:
Leg een pingpongbal op de teut van de fles. 

Stap 3:
Neem de fles vast en hou een vinger op het balletje. Draai de fles ondersteboven. Haal voorzichtig je vinger van het balletje.

20200824 Technopolis 44

Wat gebeurt er?

De pingpongbal lijkt tegen het flesje water te blijven plakken.
Indien dit niet zo is: probeer het opnieuw. Misschien was het flesje water niet tot de rand gevuld of misschien heb je het flesje te snel of te traag omgedraaid.

Hoe zit dat?

Rond ons zit lucht. We kunnen de lucht niet zien, maar die onzichtbare lucht drukt naar alle kanten. Als je de fles met het water en het pingpongballetje omdraait, dan drukt de lucht dus ook opzij en langs onder op de pingpongbal. Die lucht drukt zelfs harder op het balletje dan het water in de fles erboven.

Niet enkel de kracht van de lucht houdt het balletje op zijn plaats. Ook het water en het plastic pingpongballetje plakken een beetje aan elkaar. Dat komt doordat de waterdeeltjes en de plasticdeeltjes elkaar aantrekken.

Wetenschap en techniek:
1.2 De kleuters tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur.
Wetenschap en techniek:
1.2 De leerlingen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.
1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren.
Leercompetenties:
A-stroom / B-stroom 13.12: De leerlingen voeren een oplossingsstrategie systematisch uit i.f.v. een onderzoek of een probleem.
A-stroom / B-stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
A-stroom 6.24: De leerlingen leiden de uitwerking van krachten af uit authentieke contexten.
B-stroom 6.14: De leerlingen geven voorbeelden van de uitwerking van krachten in authentieke contexten.