Hoe sterk is een ei?

Moeten eieren altijd bovenaan je boodschappentas?
Eieren1

Wat heb je nodig?

  • Eieren
  • Eierdopjes
  • Plateau
  • Melkdozen (of suikerklontjes, of …)
  • Weegschaal

Aan de slag!

Stap 1: Plaats drie eieren (in een dopje) in een driehoek op tafel 

Stap 2: Zet een plateau op de eieren 

Stap 3: Zet nu voorzichtig telkens meer massa op de plateau

Stap 4: Noteer bij welke massa de eieren breken

Wat gebeurt er?

Pas bij meer dan 2,5 kg per ei gaan de eieren stuk!

Hoe zit dat?

Eieren zijn sterk. Gelukkig maar, want ze moeten jong vogelleven beschermen als het ei gelegd wordt en als de moedervogel er wekenlang op broedt. Dat eieren zo sterk zijn, ligt aan hun typische vorm. De ei-vorm, ook wel ovaal’ genoemd van het Latijnse woord voor ei: ovum.

Dat eieren zo sterk zijn, merk je als je er eentje probeert stuk te knijpen met je blote hand – in de lengte tussen duim en wijsvinger. Hoe komt dat? Omdat de boogvorm van de eierschaal ervoor zorgt dat de druk die je uitoefent verdeeld wordt over de hele schaaloppervlakte. En die kan wel wat hebben.

Hoeveel precies? Dat kan je met deze proef uittesten. We gebruiken drie eieren om het gewicht optimaal evenredig te kunnen verdelen over de eieren. Als je vier eieren zou gebruiken, bestaat immers de kans dat er één ei meer gewicht moet torsen. Je kan 2,5 tot 3 kg per ei toevoegen op de plateau. Dat is ongeveer de massa van een flinke kip.

Een ei is dus supersterk, maar toch kan een klein kuikentje het breken. Dat komt omdat een plotse kracht geconcentreerd op één punt (bijvoorbeeld de slag van een mes, de rand van een pan, het pikken van een kuiken) een ei heel fragiel maakt. Een kip kan er dus makkelijk op zitten, maar het kleinste kuiken kan toch het ei kapot pikken.

Je kan een eierdoos dus met een gerust hart onderaan de boodschappentas plaatsen, zolang je ervoor zorgt dat het gewicht erop netjes verdeeld wordt.

Wetenschap en techniek:
14: De leerlingen kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
A-stroom 6.24: De leerlingen leiden de uitwerking van krachten af uit authentieke contexten.
B-stroom 6.14: De leerlingen geven voorbeelden van de uitwerking van krachten in authentieke contexten.
A-stroom 6.43 / B-stroom 6.27: De leerlingen gebruiken met de nodige nauwkeurigheid de gepaste meetinstrumenten, meetmethoden en hulpmiddelen om metingen, observaties, experimenten en terreinstudies uit te voeren.
BG 6.3: De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in functionele contexten.
Leercompetenties:
A-stroom / B-stroom 13.12: De leerlingen voeren een oplossingsstrategie systematisch uit i.f.v. een onderzoek of een probleem.
A-stroom / B-stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.