Maak een miniduikboot

Test uit hoe een duikboot kan drijven en zinken
Weet jij hoe een duikboot kan zinken en stijgen? Steek je handen uit de mouwen en ga aan de slag met dit proefje!
Maak een miniduikboot

Wat heb je nodig?

  • boetseerklei
  • BIC-balpendopje
  • een kleine afbeelding uit plastic geknipt
  • een glas water
  • een zachte, doorzichtige petfles
  • alcolholstiften (verschillende kleuren)

Aan de slag!

Stap 1: Neem een klein bolletje klei en duw het steeltje van het balpendopje erin. Sluit het balpendopje bovenaan af met een klein beetje klei. Dit wordt je duikboot.

Stap 2:
Wanneer je jouw duikboot in een glas water plaatst, moet hij blijven drijven. Indien je teveel klei hebt bevestigd aan het balpendopje, zal je duikboot zinken. In dat geval maak je het bolletje klei kleiner.

Stap 3:
Vul een petfles tot aan de rand met water.

Stap 4:
Knip een figuurtje uit het plastic en kleur het in met alcoholstiften. Bevestig het figuurtje aan het bovenste bolletje klei.

Stap 5:
Zet je duikboot in de petfles en sluit goed af.

Stap 6:
Hou de fles rechtop (wanneer de fles omvalt, werkt de duikboot niet meer!) en knijp er hard in.

Stap 7:
Laat vervolgens de fles weer los.

Maak een miniduikboot

Wat gebeurt er?

De duikboot zinkt wanneer je erin knijpt. Als je de fles weer loslaat, stijgt hij weer.

Hoe zit dat?

De luchtbel in het Bic-balpendopje houdt jouw duikbootje drijvend. Wanneer je op de fles drukt, wordt er water geperst in het Bic-dopje. Daardoor wordt de luchtbel kleiner en de duikboot zwaarder. Bijgevolg zinkt jouw duikbootje naar de bodem van de fles. Als je de fles weer loslaat, verdwijnt het water uit het Bic-dopje en wordt de luchtbel weer groter. Daardoor wordt de duikboot lichter en stijgt hij terug.

Duikboten of andere vaartuigen die de bodem van de zee willen onderzoeken of verkennen, hebben speciale tanks die kunnen gevuld worden met zeewater. Zo wordt de boot zwaarder en zinkt hij. Als het water uit de tanks wordt gepompt en ze zich vullen met lucht, wordt de boot weer lichter en stijgt hij.

Wetenschap en techniek:
2.13 De leerlingen kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren.
2.6 De leerlingen kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
A-stroom 6.24: De leerlingen leiden de uitwerking van krachten af uit authentieke contexten.
A-stroom 6.36: De leerlingen onderzoeken principes van de bouw en werking van technische systemen, hun deelsystemen en onderdelen alsook hun onderlinge samenhang i.f.v. een technische proces.
A-stroom 6.38: De leerlingen voeren een iteratief technisch proces uit in de verschillende ervaringsgebieden om een eenvoudig technisch systeem te realiseren vanuit behoefte(n) en criteria.
A-stroom 6.40: De leerlingen ontwerpen een technisch systeem in functie van de bepaalde vereisten.
A-stroom 6.41: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp.
A-stroom 6.42: De leerlingen testen of een technisch systeem voldoet aan de behoeften en criteria.
B-stroom 6.14: De leerlingen geven voorbeelden van de uitwerking van krachten in authentieke contexten.
B-stroom 6.21: De leerlingen onderzoeken het functioneren van technische systemen, hun deelsystemen en onderdelen alsook hun onderlinge samenhang i.f.v. een technisch proces.
B-stroom 6.23: De leerlingen voeren een iteratief technisch proces uit in de verschillende ervaringsgebieden om een eenvoudig technisch systeem te realiseren vanuit vooropgestelde behoefte(n) en aangereikte vereisten.
B-stroom 6.24: De leerlingen passen een ontwerp van een technisch systeem aan in functie van de aangereikte vereisten.
B-stroom 6.25: De leerlingen realiseren het technisch systeem op basis van een ontwerp en een aangereikt stappenplan.
B-stroom 6.26: De leerlingen gebruiken een aangereikte methode om te testen of een technisch systeem voldoet aan de behoefte(n) en aangereikte vereisten.
A-stroom 6.49 / B-stroom 6.32: De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen STEM-disciplines onderling en met de maatschappij.
Leercompetenties:
A-stroom / B-stroom 13.12: De leerlingen voeren een oplossingsstrategie systematisch uit i.f.v. een onderzoek of een probleem.
A-stroom / B-stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.