Doe de drijftest!

Waarom drijft het ene voorwerp en zinkt het andere?
Duikboten hebben de speciale eigenschap te kunnen drijven, zweven en zinken. Ze zijn natuurlijk speciaal ontwikkeld om in die drie toestanden te kunnen bewegen. In dit experiment zoek je zelf uit hoe dat kan.
Drijftest zout ei 15

Wat heb je nodig?

  • Een maatbeker met water
  • Een gekookt eitje
  • Zout
  • Enkele andere voorwerpen: moer, kurk…

Aan de slag!

Stap 1: Vul de maatbeker met 75cl water.

Stap 2:
Breng het eitje in de beker. Wat gebeurt er?

Stap 3:
Voeg nu keukenzout aan het water toe totdat er beweging komt in het eitje. Roer eventueel om het zout beter op te lossen.

Stap 4:
Herhaal dit experiment voor de metalen moer, de kurk en eventueel andere voorwerpen. Lukt het altijd? Hoe verklaar je het verschil?

Drijftest zout ei 14

Wat gebeurt er?

Door steeds meer zout toe te voegen aan het water gaat het eitje uiteindelijk drijven.

Hoe zit dat?

Door zout toe te voegen, verhoogt de dichtheid van het water. Een voorwerp drijft in een vloeistof als de dichtheid van de vloeistof groter is dan de dichtheid van het voorwerp. Als de dichtheid van het voorwerp groter is dan die van de vloeistof, dan zal het voorwerp zinken. Als de dichtheden precies gelijk zijn, zal het voorwerp zweven. Deze laatste toestand is moeilijk te verwezenlijken.

Duikboten kunnen drijven en zinken omdat ze hun gemiddelde dichtheid voortdurend kunnen veranderen. Door water in of uit de ballasttanks te pompen, vergroot of verkleint de gemiddelde dichtheid van de duikboot, waardoor hij de ene keer zinkt en daarna weer kan opstijgen en drijven.

Wetenschap en techniek:
1.2 De kleuters tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur.
1.4 De kleuters kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria.
Wetenschap en techniek:
1.14 De leerlingen kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen.
1.2 De leerlingen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.
1.3 De leerlingen kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
A-stroom 6.49 / B-stroom 6.32: De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen STEM-disciplines onderling en met de maatschappij.
Leercompetenties:
A-stroom / B-stroom 13.12: De leerlingen voeren een oplossingsstrategie systematisch uit i.f.v. een onderzoek of een probleem.
A-stroom / B-stroom 13.13: De leerlingen formuleren een antwoord op een onderzoeksvraag of hypothese aan de hand van aangereikte richtlijnen.